Twijfel alom.
Naarmate het stagejaar vorderde bekroop me een gevoel van: "Is het dit maar?". Een gevoel dat het hele arts-zijn een overroepen job is. Een gevoel dat door artsen zelf ook benoemd wordt: "Mijn kinderen willen geen dokter worden want ze hebben door dat het eigenlijk niet zoveel voorsteld. En ze hebben gelijk." Een gevoel dat ook opgemerkt werd door vrienden die eerder afstudeerden en waarvan ik initieel nog dacht dat het eraan lag dat ze niet de juiste richting hadden gekozen en liever een andere specialisatie hadden gedaan (er zijn er maar weinig die ik ken die specialiseren, de meesten worden huisarts). Een gevoel dat ik dus een beetje ver op voorhand heb zien afkomen en waarbij ik me afvroeg of het al deze jaren studie wel waard zijn geweest.
Maar ik ben nu dit pad ingeslagen en om eerlijk te zijn is er niet perse een andere job die ik veel liever zou doen. De vraag is of ik het kan opbrengen nog eens 5 à 6 jaar te specialiseren, nu wetende "dat het ook maar dat is".
Mijn laatste dag in het ziekenhuis, nu anderhalve week geleden, was een shift van 24 uur. Er stond een transplantatie gepland waar ik naar uit keek, maar hoe meer ik de achtergrond van de patiënt las hoe terughoudender ik werd en hoe meer ik de zorgen (tot het punt toe waarop je bijna gaat hopen dat de transplantatie niet door gaat) van de anesthesist in opleiding begreep. Een transplantatie, zeker een ingewikkelde, is niet iets om naar uit te kijken. De anesthesiste waar ik bij stond werd heel de nacht bijgestaan door de supervisor en de andere assistenten van wacht die geregeld een handje kwamen bijsteken. Zelf was ze net een week terug uit zwangerschapsverlof die 4 maanden geduurd had, en er dus weer volledig in gesmeten. Ikzelf kon weinig meer doen dan papierwerk bijhouden, de situatie steeg boven ieders petje en dus al zeker het mijne.
Om 8u ging ik vermoeid en gefrustreerd naar huis en omdat Pedro nog moest werken tot de middag kroop ik in bed, ook al reden we die dag naar Portugal. Sindsdien heb ik zeeën van tijd gehad om te denken en is de twijfel toegeslagen. Is het dit wat ik echt wil doen?
Het gevoel van "is het dit maar?" is een onoverkomelijk feit dat over het hele gamma van geneeskunde de kop op steekt. Het beroep van arts blijft een mysterie de hele opleiding lang, en je kijkt halsreikend uit naar de andere kant. Eens je de basis onder de knie hebt en het einde van de tunnel nadert heb je echt zoiets van, oh. Hoeveel bereid je bent nog extra bloed, zweet en tranen in een bijkomende opleiding te steken hangt af van hoeveel een specialisatie je voorkeur wegdraagt. Bij mij persoonlijk dacht ik bij de meeste, quasi alle, specialisaties vooral, dit zeker niet. De eentonigheid, het hokjesdenken, het heen en weer schuiven van patiënten tussen specialisten en de slechte communicatie onderling zijn allemaal frustraties. Je behandelt alleen het soort pathologie waarin je gespecialiseerd bent, en hoewel je daar gradaties in hebt van simpel naar gecompliceerd is het toch monotoon. Follow-up consultaties afgewisseld met spoed consultaties en zaalrondes, met allemaal klachten die tot een zelfde soort diagnose leiden. Een leven lang.
Als anesthesist draaide het voor mij meer om het acute. Patiënt pijnvrij maken, in slaap doen, stabiel houden. Allemaal handelingen met onmiddellijk zichtbaar resultaat. Bovendien leer je ook rustig blijven onder kritieke omstandigheden, kan je vlotjes werken met dosissen medicatie voor zowel kinderen als volwassenen, en kan je ook de tijd nemen om aan de patiënt uit te leggen wat hij/zij allemaal niet begrepen heeft van de specialist die hem/haar doorverwezen heeft voor een pre-operatieve consultatie. En toen, in die vier weken, had ik ineens door dat anesthesist zijn ook niet meer is dan dat: handelingen. Tientallen dezelfde handelingen op een dag. Iedere dag, een leven lang. De persoon waarop je die handelingen moet uitvoeren is bijzaak. Natuurlijk zijn er daar uitzonderingen op. Natuurlijk hebben we ook consultaties. Natuurlijk moet je een goede kennis hebben van de menselijke fysiologie, voor het geval dat er iets de foute richting uit gaat. Maar je streeft er natuurlijk naar dat in de meeste gevallen alles juist gaat. Ik zie dus weeral eentonigheid om de hoek loeren.
Een jaar bijkomend na de anesthesie om urgentiearts te worden is nog steeds een optie die ik, moest ik hierin verder gaan, zeker zal nemen. 90% van de gevallen die naar spoed komen horen niet thuis op spoed. Het werkt afstompend en afhankelijk van de collega's die je hebt kan je in een zeer zure omgeving werken. En eigenlijk mogen ze niet klagen: elke patiënt die we zien, met of zonder reden, draagt bij tot het inkomen op het einde van de maand. Hoe meer hoe liever zou het dus moeten zijn. Mensen die zouden moeten blijven en opgenomen worden willen naar huis, mensen die helemaal niks te zoeken hebben op spoed willen niet weg. Er worden foto's genomen en bloed getrokken en terwijl je wacht op de resultaten zie je nieuwe wachtenden. De mensen geraken gefrustreerd want uren verstrijken zonder dat er iets gebeurt, terwijl die uren nodig zijn om alle resultaten van de aangevraagde onderzoeken binnen te krijgen. Vermoed je een bepaalde pathologie die toch verdere behandeling nodig heeft dan bel je de specialist van wacht op, en de mensen mogen weer ettelijke uren wachten tot die arts komt, hen ziet en een beslissing neemt. 's Nachts en in het weekend is het een gevecht om specialisten overtuigd te krijgen dat het echt wel noodzakelijk is naar het ziekenhuis te komen.
Dus spoedarts: variatie? Absoluut. Interessante dingen? Zeer zeker. Constante frustratie? Ook.
Is het dan al die moeite waard? Nog 5 à 6 jaar bij-specialiseren? Shiften van 12 uur (als anesthesist iedere dag, als spoedarts afhankelijk van het ziekenhuis waar je staat) met weinig extra tijd door de week? Wil ik dat?
Of kies ik de "gemakkelijke" weg en word ik dan toch maar huisarts, waar de lasten in een groepspraktijk gedeeld worden. Waar de sfeer volledig anders is dan in een ziekenhuis. Waar je op de eerste lijn staat en waar je het overzicht behoud voor de patiënt. Frustraties gaan er altijd zijn, zeker weten. Nutteloze consultaties ook. Maar misschien is het aangenamer wanneer ik daarnaast ook nog een leven kan hebben?
Te bedenken dat ik zo zeker was van mijn keuze! En dat ik eigenlijk alleen maar aangename mede-anesthesisten ben tegengekomen en het tot nu toe super interessant vond. What to do, what to do...
Maar ik ben nu dit pad ingeslagen en om eerlijk te zijn is er niet perse een andere job die ik veel liever zou doen. De vraag is of ik het kan opbrengen nog eens 5 à 6 jaar te specialiseren, nu wetende "dat het ook maar dat is".
Mijn laatste dag in het ziekenhuis, nu anderhalve week geleden, was een shift van 24 uur. Er stond een transplantatie gepland waar ik naar uit keek, maar hoe meer ik de achtergrond van de patiënt las hoe terughoudender ik werd en hoe meer ik de zorgen (tot het punt toe waarop je bijna gaat hopen dat de transplantatie niet door gaat) van de anesthesist in opleiding begreep. Een transplantatie, zeker een ingewikkelde, is niet iets om naar uit te kijken. De anesthesiste waar ik bij stond werd heel de nacht bijgestaan door de supervisor en de andere assistenten van wacht die geregeld een handje kwamen bijsteken. Zelf was ze net een week terug uit zwangerschapsverlof die 4 maanden geduurd had, en er dus weer volledig in gesmeten. Ikzelf kon weinig meer doen dan papierwerk bijhouden, de situatie steeg boven ieders petje en dus al zeker het mijne.
Om 8u ging ik vermoeid en gefrustreerd naar huis en omdat Pedro nog moest werken tot de middag kroop ik in bed, ook al reden we die dag naar Portugal. Sindsdien heb ik zeeën van tijd gehad om te denken en is de twijfel toegeslagen. Is het dit wat ik echt wil doen?
Het gevoel van "is het dit maar?" is een onoverkomelijk feit dat over het hele gamma van geneeskunde de kop op steekt. Het beroep van arts blijft een mysterie de hele opleiding lang, en je kijkt halsreikend uit naar de andere kant. Eens je de basis onder de knie hebt en het einde van de tunnel nadert heb je echt zoiets van, oh. Hoeveel bereid je bent nog extra bloed, zweet en tranen in een bijkomende opleiding te steken hangt af van hoeveel een specialisatie je voorkeur wegdraagt. Bij mij persoonlijk dacht ik bij de meeste, quasi alle, specialisaties vooral, dit zeker niet. De eentonigheid, het hokjesdenken, het heen en weer schuiven van patiënten tussen specialisten en de slechte communicatie onderling zijn allemaal frustraties. Je behandelt alleen het soort pathologie waarin je gespecialiseerd bent, en hoewel je daar gradaties in hebt van simpel naar gecompliceerd is het toch monotoon. Follow-up consultaties afgewisseld met spoed consultaties en zaalrondes, met allemaal klachten die tot een zelfde soort diagnose leiden. Een leven lang.
Als anesthesist draaide het voor mij meer om het acute. Patiënt pijnvrij maken, in slaap doen, stabiel houden. Allemaal handelingen met onmiddellijk zichtbaar resultaat. Bovendien leer je ook rustig blijven onder kritieke omstandigheden, kan je vlotjes werken met dosissen medicatie voor zowel kinderen als volwassenen, en kan je ook de tijd nemen om aan de patiënt uit te leggen wat hij/zij allemaal niet begrepen heeft van de specialist die hem/haar doorverwezen heeft voor een pre-operatieve consultatie. En toen, in die vier weken, had ik ineens door dat anesthesist zijn ook niet meer is dan dat: handelingen. Tientallen dezelfde handelingen op een dag. Iedere dag, een leven lang. De persoon waarop je die handelingen moet uitvoeren is bijzaak. Natuurlijk zijn er daar uitzonderingen op. Natuurlijk hebben we ook consultaties. Natuurlijk moet je een goede kennis hebben van de menselijke fysiologie, voor het geval dat er iets de foute richting uit gaat. Maar je streeft er natuurlijk naar dat in de meeste gevallen alles juist gaat. Ik zie dus weeral eentonigheid om de hoek loeren.
Een jaar bijkomend na de anesthesie om urgentiearts te worden is nog steeds een optie die ik, moest ik hierin verder gaan, zeker zal nemen. 90% van de gevallen die naar spoed komen horen niet thuis op spoed. Het werkt afstompend en afhankelijk van de collega's die je hebt kan je in een zeer zure omgeving werken. En eigenlijk mogen ze niet klagen: elke patiënt die we zien, met of zonder reden, draagt bij tot het inkomen op het einde van de maand. Hoe meer hoe liever zou het dus moeten zijn. Mensen die zouden moeten blijven en opgenomen worden willen naar huis, mensen die helemaal niks te zoeken hebben op spoed willen niet weg. Er worden foto's genomen en bloed getrokken en terwijl je wacht op de resultaten zie je nieuwe wachtenden. De mensen geraken gefrustreerd want uren verstrijken zonder dat er iets gebeurt, terwijl die uren nodig zijn om alle resultaten van de aangevraagde onderzoeken binnen te krijgen. Vermoed je een bepaalde pathologie die toch verdere behandeling nodig heeft dan bel je de specialist van wacht op, en de mensen mogen weer ettelijke uren wachten tot die arts komt, hen ziet en een beslissing neemt. 's Nachts en in het weekend is het een gevecht om specialisten overtuigd te krijgen dat het echt wel noodzakelijk is naar het ziekenhuis te komen.
Dus spoedarts: variatie? Absoluut. Interessante dingen? Zeer zeker. Constante frustratie? Ook.
Is het dan al die moeite waard? Nog 5 à 6 jaar bij-specialiseren? Shiften van 12 uur (als anesthesist iedere dag, als spoedarts afhankelijk van het ziekenhuis waar je staat) met weinig extra tijd door de week? Wil ik dat?
Of kies ik de "gemakkelijke" weg en word ik dan toch maar huisarts, waar de lasten in een groepspraktijk gedeeld worden. Waar de sfeer volledig anders is dan in een ziekenhuis. Waar je op de eerste lijn staat en waar je het overzicht behoud voor de patiënt. Frustraties gaan er altijd zijn, zeker weten. Nutteloze consultaties ook. Maar misschien is het aangenamer wanneer ik daarnaast ook nog een leven kan hebben?
Te bedenken dat ik zo zeker was van mijn keuze! En dat ik eigenlijk alleen maar aangename mede-anesthesisten ben tegengekomen en het tot nu toe super interessant vond. What to do, what to do...
Reacties